Voor de advocaat: afdwingen derdenverklaring in conservatoire fase

Een derde, onder wie derdenbeslag wordt gelegd, dient na een periode van vier weken een schriftelijke verklaring te verstrekken waarin staat of het beslag raak is of niet. Indien het beslag doel treft, moet in de verklaring ook worden vermeld welke goederen zijn geraakt. In de meeste gevallen is zo’n derde de bank en de praktijk wijst uit dat zij doorgaans netjes en tijdig een verklaring aan de deurwaarder verstrekken. Met andere derde-beslagene(n) ligt dit veelal anders. Welke mogelijkheden heeft een beslaglegger om zo’n verklaring alsnog af te dwingen?

In het geval van executoriaal beslag kan de beslaglegger de weigerachtige derde middels een verklaringsprocedure ex. art. 477a Rv dwingen een verklaring af te leggen. Met als sanctie dat de derde-beslagene zelf de schuld moet voldoen waarvoor het beslag is gelegd indien hij niet of onvolledig verklaart. Deze mogelijkheid bestaat echter niet als het beslag conservatoir is. Art. 477a Rv geeft alléén de beslaglegger in de executoriale fase de bevoegdheid een verklaringsprocedure tegen de derden-beslagene(n) in te stellen.

Wat echter niet altijd even duidelijk lijkt te zijn, is dat art. 476a en 476b Rv, ingevolge art. 720 Rv wél overeenkomstig van toepassing zijn. De verklaringsverplichting, die op grond van deze artikelen ontstaat bij het leggen van conservatoir derdenbeslag tussen de beslaglegger en de derden-beslagene(n), wordt gekwalificeerd als een verbintenis (uit de wet). Het niet voldoen aan deze verplichting kan onrechtmatig zijn. Uit de rechtspraak (1) blijkt dat de verklaringsprocedure in een conservatoire fase weliswaar niet kan worden ingezet, maar dat dit niet onverlet laat dat het niet voldoen aan de verklaringsverplichting een onrechtmatige daad van de derde-beslagene kan opleveren. Via deze omweg kan dus in het geval van conservatoir derdenbeslag hetzelfde resultaat worden bereikt als via de verklaringsprocedure.

Ook uit een zeer recente uitspraak van de rechtbank Amsterdam(2) blijkt dat de beslaglegger in de conservatoire fase een verklaring in kort geding kan afdwingen. De sanctie die geldt in de executoriale fase, krachtens art. 477a Rv staat hier volgens de rechter niet aan in de weg. Opgemerkt zij dat het in deze uitspraak ging om gebrekkige en onvolledige derdenverklaringen. De juistheid van de verklaringen werd niet betwist. In de fase waarin het beslag conservatoir is, bestaat (uiteraard) niet bevoegdheid om de afgelegde verklaringen te betwisten.

(1) Zie o.a. Rechtbank Limburg 21-06-2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:5692.
(2) Rechtbank Amsterdam 1-04-2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:2920.

Auteur: mr. Sharon van den Hemel, jurist bij Van Schendel en Partners